Rabobank haalt bouwonderneming onderuit

Het Financiële Dagblad publiceerde 29 en 30 maart jl. hoe Rabobank bij bouwbedrijf Midreth de macht greep en het financieel heeft uitgehold. Zo heeft dat bouwbedrijf alleen al € 22 miljoen aan fees betaald voor een krediet van € 64 miljoen. Daarnaast kwamen dan nog de rente voor de leningen en een rentederivaat (Super Collar).

Rentederivaten werden door banken verkocht onder het voorwendsel dat zij de kredietnemer zouden beschermen tegen een rentestijging. Dat dit niet waar was, bleek toen de banken de opslagen op de leningen gingen verhogen, ook bij kredietnemers die rentederivaten hadden afgesloten. Uit een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt nu dat Rabobank ook zonder gebruik te maken van opslagverhogingen kredietnemers met een rentederivaat met hogere rentelasten heeft opgezadeld, namelijk door de rentegrondslag van de lening tussentijds aan te passen.

Wat is een Super Collar?

Een Super Collar is een exotische vorm van een renteswap. Het is een combinatie van een gekochte cap (ofwel renteplafond) en verkochte floor (ofwel minimumrente). Zolang de rente binnen deze bandbreedte (dus tussen de cap en de floor) blijft, betaalt de kredietnemer de variabele rente (Euribor) plus een opslag. Wanneer de Euribor boven de cap uitkomt, betaalt de kredietnemer in plaats van de Euribor het renteplafond, en daarnaast nog de opslag. Het is daarom een product dat gebruikt wordt om kredietnemers te beschermen tegen een rentestijging. Indien de rente echter onder de floor komt, moet de kredietnemer een boete betalen. De kredietnemer betaalt dan, in plaats van de Euribor de floor en een boete (die samen doorgaans even hoog zijn als de cap), en daarnaast nog de opslag.

Euribor omzetten in Basisrente

Rabobank fungeerde als huisbankier van het bouwbedrijf Midreth. Rabobank heeft in 2007 een Super Collar van € 20.000.000,- aan Midreth geadviseerd om het renterisico op haar Euriborgerelateerde lening af te dekken. Toen de Euribor was gedaald tot onder de floor, betaalde Midreth een rente van circa 5,3% (3,8% onder de Super Collar en 1,5% opslag).

Rabobank heeft echter op een gegeven moment de rentegrondslag van de leningen veranderd: niet langer bestond deze uit de Euribor plus opslag, maar uit de ‘Rabobank Basisrente’ plus opslag. Tegelijkertijd liep de Super Collar gewoon door.

Hierdoor betaalde Midreth, in plaats van (circa) 5,3%, de Rabobank Basisrente van 4,85% én een opslag van 1,5% én 3,365% als gevolg van de Super Collar. Midreth betaalde dus in totaal 9,715% rente aan Rabobank, terwijl Rabobank haar nu juist de Super Collar had verkocht onder het voorwendsel dat zij nooit meer dan circa 5,3% aan rente zou moeten betalen.

Omdat de Super Collar geen bescherming bood tegen stijging van de variabele Rabobank Basisrente, was Midreth ook niet langer beschermd tegen rentestijging. De Super Collar zelf had geen enkele functie meer en werd daardoor een speculatief product.

Oordeel Gerechtshof

Het Gerechtshof Arnhem heeft geoordeeld dat Rabobank, door het wijzigen van de Euribor rente naar de Rabobank Basisrente, of de rente of de Super Collar kostenneutraal had moeten oplossen. Doordat Rabobank dit niet gedaan heeft, was voortzetting van de Super Collar zeer nadelig voor Midreth. Rabobank is daarom tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en/of heeft onrechtmatig gehandeld.

Wilt u meer weten over de mogelijkheden om schadevergoeding te vorderen aangaande een Super Collar of een ander rentederivaat? Neem dan contact op met Hendrik Jan Bos (HJ.Bos@www.bos-partners.nl)

Op grond van hun Algemene Voorwaarden zijn banken bevoegd om eenzijdig het opslagpercentage van een zakelijke financiering te verhogen. Rabobank ontleent deze bevoegdheid aan haar Algemene Voorwaarden voor bedrijfsfinancieringen. Op grond van artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden rust echter op banken ook een zorgplicht bij de uitoefening van de bevoegdheid om de opslag te verhogen. In een recent verschenen uitspraak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de mogelijkheid om eenzijdig opslagen te verhogen, ingeperkt vanwege de zorgplicht die op een bank rust.

Opslagverhogingen

De eiser in deze zaak is een vastgoedondernemer die met Rabobank diverse geldleningsovereenkomsten heeft afgesloten. Rabobank stelt de rente die de vastgoedondernemer daarvoor moet betalen vast op basis van de Euro InterBank Offered Rate (hierna: “Euribor”). Daarnaast bepalen de Algemene Voorwaarden voor bedrijfsfinanciering dat de te betalen Euribor wordt verhoogd met een door Rabobank te bepalen opslag én dat Rabobank die opslag altijd kan wijzigen. Tot tweemaal toe heeft Rabobank onder verwijzing naar de Algemene Voorwaarden voor bedrijfsfinanciering deze opslagen verhoogd. Eiser is echter van mening dat het eenzijdig verhogen van de renteopslagen in dit geval in strijd is met de op Rabobank rustende zorgplicht die is neergelegd in artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden.

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank oordeelt dat Rabobank bij de gebruikmaking van de bevoegdheid om de renteopslagen te verhogen de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en rekening dient te houden met de belangen van de cliënt. Dit is volgens de Rechtbank met name van belang vanwege de zeer ruime bevoegdheid die Rabobank daarbij op grond van de letterlijke tekst van haar Algemene Voorwaarden heeft om de opslagen te verhogen. Om hier toepassing aan te geven, is noodzakelijk dat Rabobank onder meer informatie inwint over de financiële toestand van de cliënt en zijn onderneming. Dit geldt ook voor eventuele bijzonderheden met betrekking tot diens persoonlijke omstandigheden. In dit geval ging het bijvoorbeeld om recente taxatierapporten van de panden van de vastgoedondernemer. Indien Rabobank vervolgens de opslag wil verhogen, dient zij dit bij voorkeur gemotiveerd met de cliënt te bespreken en anders schriftelijk aan de cliënt kenbaar te maken. Rabobank had echter de opslagverhogingen gebaseerd op de waarde van de panden in 2013 en 2014. Op basis daarvan zou de loan-to-value verhouding te risicovol zijn. Volgens de Rechtbank heeft Rabobank hierdoor de opslagen in strijd met de op haar rustende zorgplicht verhoogd.

Conclusie

Banken mogen aldus op grond van deze uitspraak gebruik maken van hun contractuele bevoegdheid de opslagen bij een zakelijke financiering te verhogen, maar deze bevoegdheid is niet onbegrensd. Eerder is overigens al in uitspraken bepaald dat een bank de opslag evenmin mag verhogen, indien de cliënt tevens een renteswap heeft afgesloten met als doel een vaste rente te betalen.

Wilt u weten, of u met succes een opslagverhoging ongedaan kunt laten maken en de verhoogde opslagen kunt terugvorderen? Neem dan contact op met Roger Kroes (r.kroes@www.bos-partners.nl) of Jolien Derksen (j.derksen@www.bos-partners.nl).

Kan de verplichting om te betalen in bitcoins leiden tot een faillissement, indien de wederpartij deze verplichting niet nakomt? Over deze vraag heeft de Rechtbank Amsterdam zich recent moeten buigen.

Geschil

Tussen A en B bestaat een verbintenis die strekt tot betaling van bitcoins. B kwam deze verplichting echter niet na, waarop A het faillissement van B aanvroeg. Op grond van artikel 1 van de Faillissementswet kan een schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van één of meer van zijn schuldeisers bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement worden verklaard. De vraag die speelde, was of voldaan was aan het vereiste “dat gebleken is van de toestand dat B opgehouden is te betalen”. Bitcoins zijn namelijk (nog) geen wettig betaalmiddel.

Oordeel

Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad uit 1921 oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat de term betalen niet alleen ziet op de voldoening van een geldvordering, maar ook op de voldoening aan een verbintenis. Aangezien daarnaast sprake bleek van diverse (steun)vorderingen, heeft de Rechtbank Amsterdam B in staat van faillissement verklaard.

Wilt u meer weten over de mogelijkheden om nakoming en/of schadevergoeding te vorderen aangaande bitcoins of andere onderwerpen? Neem dan contact op met Jolien Derksen (j.derksen@www.bos-partners.nl).

De Engelse bank RBS heeft klanten in haar afdeling Bijzonder Beheer gebracht om er zelf van te kunnen profiteren. Het bankpersoneel werd aangemoedigd om vooral de kas van RBS te spekken en niet te kijken naar de behoeftes van noodlijdende ondernemers. Ook in Nederland zijn er banken waarvan hun afdeling Bijzonder Beheer hun klanten door renteopslagen en gedwongen verkoop van bezittingen, nog dieper in de problemen hebben gebracht. Ondernemers die dat is overkomen, kunnen hun zaak aan ons voorleggen.

Het gehele artikel “Uitgelekt rapport: ‘RBS maakte problemen mkb’ers groter'” van Het Financieele Dagblad leest u hieronder:

https://fd.nl/ondernemen/1242860/uitgelekt-rapport-rbs-maakte-problemen-mkb-ers-groter

Hadden banken voorafgaand aan de verkoop van rentederivaten hun klanten moeten inlichten over de eigen rentevisie van de bank? En hadden banken deze rentederivaten überhaupt mogen verkopen toen zij op het moment van verkoop, zelf een rentedaling in plaats van een rentestijging verwachtten? Dit zijn de twee belangrijkste vragen in zaken tegen ABN AMRO, ING, Rabobank en Deutsche Bank die wij behandelen.

Onjuiste voorspiegeling rentevisie

In meerdere zaken had de bank aan de betreffende ondernemer medegedeeld dat de rente zou gaan stijgen. In werkelijkheid verwachtte de bank echter een daling van de rente. Steeds meer rechters menen dat in zo’n geval de bank een onjuist advies heeft gegeven en haar mededelingsplicht heeft geschonden. In veel van onze zaken heeft dat al tot een goed resultaat voor onze cliënten geleid.

Meer daarover in het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 februari 2018 met de kop:

Vragen over rentederivaten worden waarschijnlijk nooit beantwoord

https://fd.nl/ondernemen/1241246/vragen-over-rentederivaten-worden-waarschijnlijk-nooit-beantwoord

Vertraging derivatendossier kan vérstrekkende gevolgen hebben voor de juridische positie van gedupeerden.

Op 8 december 2017 heeft de AFM een rapport verwacht, waarin staat dat de banken weinig voortgang boeken met het uitvoeren van het Herstelkader voor rentederivaten. De uitwerking van het Herstelkader loopt vast, omdat het vaststellen van de schade te complex blijkt te zijn. Het betreft het met name de schade die is veroorzaakt door rentederivaten met exotische namen als Zero Cost Knock-in-Collar. Dergelijke rentederivaten worden in het Herstelkader ‘Gestructureerde Rentederivaten’ genoemd met een ‘verkochte optionaliteit’. Andere voorbeelden van dit soort rentederivaten zijn Cap (with) knock-in Floor, (Semi) Super Collar, Collar Extra, Step-In Cap, Averaging Cap with Knock-In Floor, (Extra) Swap Extra, (Bermudan) Cancellable Swap, Rate Reducer, Rentemix Swap en Extendable Swap.

Schieten de getroffen voorzieningen van de banken tekort?

De uitvoering van het Herstelkader bij dergelijke rentederivaten is volgens de banken complex. Voor een geoefende rekenaar als een accountant zou dit niet complex behoeven te zijn. Insiders constateren dat banken, accountants en de AFM elkaar in een houtgreep houden. Eén van de redenen voor deze houtgreep en de opgelopen vertraging zou kunnen zijn dat de banken op dit moment geconfronteerd worden met berekeningen waaruit blijkt, dat zij vergoedingen moeten betalen waarvan het totaal de hoogte van de daarvoor getroffen voorzieningen met honderden miljoenen overschrijdt. Alleen de accountantskosten slurpen al een half miljard euro van de anderhalf miljard getroffen voorzieningen op. Het is te verwachten dat de banken aan de gedupeerden uiteindelijk een lager aanbod zullen doen, dan waarop zij recht hebben, teneinde binnen die getroffen voorzieningen te blijven.

Bindend advies is schijnprocedure

Veel gedupeerden blijven intussen, ondanks de langdurige vertraging, braaf de uitkomst van het Herstelkader (blijven) afwachten. Daarbij verkeren velen in de onterechte veronderstelling dat zij straks altijd nog een voorstel van hun bank voor bindend advies aan een onafhankelijke commissie kunnen voorleggen. Het bindend advies ziet namelijk nadrukkelijk niet op het volledige Herstelkader. Zo zullen bijvoorbeeld gedupeerden met de hiervoor genoemde exotische producten het aanbod van de bank bij twijfel of onenigheid niet door die onafhankelijke commissie kunnen laten beoordelen, zo volgt uit het Herstelkader.

Tijdens het wachten op het Herstelkader kunnen rechten verjaren

Zij zullen dus tegen de bank moeten procederen als zij aanspraak willen maken op een hogere vergoeding. Maar daarbij ligt een tweede gevaar op de loer. Veel gedupeerden weten namelijk evenmin dat er mogelijk belangrijke termijnen zijn verstreken of dreigen te verstrijken, doordat de daarvoor benodigde actie niet is ondernomen.

Stel rechten veilig

Gedupeerden die hiertoe nog niet zijn overgegaan, doen er goed aan om hun dossier te laten beoordelen en hun rechten zekerheidshalve veilig te stellen. Dat geldt overigens ook voor gedupeerden die het aanbod van hun bank wél voor bindend advies aan een onafhankelijke commissie kunnen voorleggen. Ook zij zouden moeten laten onderzoeken, of er een redelijke kans op een hogere vergoeding via de rechter is, dan een vergoeding op grond van het Herstelkader en of dat verschil de moeite en het risico van het procederen waard is. Deze gedupeerden dienen overigens te beseffen dat zij het aanbod van de bank moeten accepteren en afstand moeten doen van hun recht om te procederen, indien zij het aanbod van de bank voor een bindend advies aan die onafhankelijke commissie willen voorleggen. Ook om die reden is het zaak om tijdig tevoren duidelijkheid te krijgen over de kansen op succes van een gerechtelijke procedure.

ABN AMRO dient haar rentevisie te bewijzen. In een procedure over een renteswap heeft het Gerechtshof Amsterdam ABN AMRO opdracht gegeven om te bewijzen dát èn waaròm zij begin juni 2008 verwachtte dat de eenmaands Euribor op een termijn van 10 jaar zou gaan stijgen;

Het Hof heeft geoordeeld dat de renteverwachting van de bank van belang is voor de keuze van het soort rentederivaat.

Het Hof oordeelde voorts dat de bank haar renteverwachting dan ook aan haar klant had moeten mededelen ten tijde van het afsluiten van het rentederivaat.

De klant heeft aangetoond dat ABN AMRO zelf een daling van de rente in de eerste anderhalf jaar verwachtte, en dat ABN AMRO die verwachte daling niet aan de klant heeft medegedeeld. Als verweer stelde ABN AMRO zich op het standpunt, dat zij in 2008 verwachtte dat de rente weliswaar op korte termijn ging dalen, maar over de lange termijn (10 jaar) zou gaan stijgen. ABN AMRO heeft echter (nog) niet aangetoond dat zij dit ook daadwerkelijk in 2008 verwachtte.

Het Hof heeft ABN AMRO Bank opgedragen om te bewijzen en met bewijsstukken te onderbouwen (dus niet door een verhaaltje van een bank-medewerker) dát èn waaròm zij begin juni 2008 verwachtte dat de eenmaands Euribor op een termijn van 10 jaar zou gaan stijgen.

In die periode van juni 2008 hebben met name Rabobank en ABN AMRO Bank op grote schaal renteswaps bij hun klanten naar binnen gedrukt met als argument: “Je moet nu heel snel een renteswap aanschaffen, want er komt een enorme rentestijging aan.”

Dat deden de banken, ondanks dat zij zelf een rentedaling verwachtten. Dat is geen vergissing van de banken, maar misleiding van hun eigen klanten, waaraan de banken miljarden hebben verdiend.

Voor heel veel rentederivatenzaken (niet alleen voor renteswaps) in het hele land is dit oordeel èn de bewijsopdracht van het Hof Amsterdam van groot belang; Wat was de eigen renteverwachting van de bank op het moment dat zij haar klanten dure producten adviseerde die kunnen beschermen tegen rentestijging, maar rampzalig kunnen zijn bij rentedaling (onnodig hoge rente en het risico om miljoenen negatieve waarde te moeten betalen bij tussentijdse beëindiging van zo’n derivaat)?

https://fd.nl/ondernemen/1213353/hof-tegen-abn-amro-onderbouw-rentevisie-uit-2008

ABN AMRO dient haar renteverwachting te bewijzen. In een procedure over een renteswap heeft het Gerechtshof Amsterdam ABN AMRO opdracht gegeven om te bewijzen dát èn waaròm zij begin juni 2008 verwachtte dat de eenmaands Euribor op een termijn van 10 jaar zou gaan stijgen;

Het Hof heeft geoordeeld dat de renteverwachting van de bank van belang is voor de keuze van het soort rentederivaat.

Het Hof oordeelde voorts dat de bank haar renteverwachting dan ook aan haar klant had moeten mededelen ten tijde van het afsluiten van het rentederivaat.

De klant heeft aangetoond dat ABN AMRO zelf een daling van de rente in de eerste anderhalf jaar verwachtte, en dat ABN AMRO die verwachte daling niet aan de klant heeft medegedeeld. Als verweer stelde ABN AMRO zich op het standpunt, dat zij in 2008 verwachtte dat de rente weliswaar op korte termijn ging dalen, maar over de lange termijn (10 jaar) zou gaan stijgen. ABN AMRO heeft echter (nog) niet aangetoond dat zij dit ook daadwerkelijk in 2008 verwachtte.

Het Hof heeft ABN AMRO Bank opgedragen om te bewijzen en met bewijsstukken te onderbouwen (dus niet door een verhaaltje van een bank-medewerker) dát èn waaròm zij begin juni 2008 verwachtte dat de eenmaands Euribor op een termijn van 10 jaar zou gaan stijgen.

In die periode van juni 2008 hebben met name Rabobank en ABN AMRO Bank op grote schaal renteswaps bij hun klanten naar binnen gedrukt met als argument: “Je moet nu heel snel een renteswap aanschaffen, want er komt een enorme rentestijging aan.”

Dat deden de banken, ondanks dat zij zelf een rentedaling verwachtten. Dat is geen vergissing van de banken, maar misleiding van hun eigen klanten, waaraan de banken miljarden hebben verdiend.

Voor heel veel rentederivatenzaken (niet alleen voor renteswaps) in het hele land is dit oordeel èn de bewijsopdracht van het Hof Amsterdam van groot belang; Wat was de eigen renteverwachting van de bank op het moment dat zij haar klanten dure producten adviseerde die kunnen beschermen tegen rentestijging, maar rampzalig kunnen zijn bij rentedaling (onnodig hoge rente en het risico om miljoenen negatieve waarde te moeten betalen bij tussentijdse beëindiging van zo’n derivaat)?

https://fd.nl/ondernemen/1213353/hof-tegen-abn-amro-onderbouw-rentevisie-uit-2008

In het FD vertelt Hendrik Jan Bos over de oprichting van het advocatenkantoor Bos & Partners en de manier waarop daar wordt gewerkt.

Omdat Bos & Partners moeilijke financiële zaken behandelt, is het van belang, dat alle medewerkers scherp zijn. Om scherp te zijn, moet je goed uitgerust en gemotiveerd zijn. Daarom gaat het kantoor meestal om 17.30 uur dicht en als de zon schijnt om 16.30 uur.

Overigens heeft Bos & Partners nog een vacature voor een enthousiaste advocaat-medewerker.

https://fd.nl/profiel/1187525/misschien-ben-ook-ik-een-zeurpiet-dacht-ik

Op 14 februari 2017 heeft het Gerechtshof Den Haag een zeer vernieuwend arrest gewezen in een procedure tussen een Staalbedrijf en Rabobank in verband met het afsluiten van renteswaps en andere rentederivaten. Het Hof heeft Rabobank veroordeeld tot vergoeding van de door het Staalbedrijf geleden schade.
Vernieuwend aan deze uitspraak is dat volgens het Gerechtshof de zorgplicht van een bank ook van toepassing is op een onderneming die op grond van haar financiële omvang in beginsel als professionele klant typeert. Dat was bij het Staalbedrijf het geval, omdat het in 2006 een balanstotaal had van circa € 46 mio in 2006 en een omzet van circa  € 42 mio. Rabobank had het Staalbedrijf echter zelf getypeerd als een niet-professionele klant, met geen of weinig ervaring in de van toepassing zijnde treasuryproducten en zonder een intern vastgelegd treasurybeleid. Mede om die reden oordeelde het Gerechtshof dat Rabobank haar zorgplicht had moeten naleven, hetgeen Rabobank had verzuimd.
Rabobank had het Staalbedrijf 7 renteswaps verkocht. Vrijwel al die renteswaps hadden een uitgestelde ingangsdatum (forward starting). In 2010 dwong Rabobank haar klant tot verkoop van activa (waaronder een bedrijfspand). Begin 2012 bedroeg de hoofdsom van de leningen nog ruim € 3.4 mio en die van de renteswaps € 14.3 mio. Dat heet “overhedge” en dat mag niet. Rabobank heeft toen een achtergestelde lening van een andere partij en een rekening-courant onder de renteswaps geschoven, om die “overhedge” weg te werken. Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat dat niet mag.
Rabobank zei in de procedure ook nog, dat zij en haar klant geen adviesrelatie zouden hebben, ondanks dat zij reeds vele jaren huisbankier was van haar klant. Het Gerechtshof ging niet mee in dat betoog en oordeelde, dat er wèl een adviesrelatie van Rabobank met haar klant bestond. Daardoor rustte op Rabobank een zorgplicht, ook al is de klant een groot bedrijf.
In deze zaak ging het om renteproducten die risicovoller zijn dan een gewone renteswap. Van belang is, dat het Gerechtshof heeft bepaald, dat ook een “gewone renteswap”(plain vanilla swap) niet kan worden beschouwd als een niet-complex product.
Hoewel het Staalbedrijf een groot bedrijf is en niet gelijk kan worden gesteld met een consument, had Rabobank haar klant wel moeten informeren over de bijzondere risico’s van de door Rabobank verkochte producten. Daarbij gaat het vooral over de navolgende risico’s:
1) de gevolgen van een uitgestelde swap (= forward starting renteswap);
2) het verhoogd risico op een mismatch als renteswaps niet zijn afgestemd op de onderliggende leningen (met andere woorden; renteswaps mogen niet hoger zijn dan de leningen en niet langer duren dan de leningen);
3) dat Rabobank allerlei renteopslagen in rekening kan brengen (debiteurenopslagen, liquiditeitsopslagen, etc.);
4) dat de bank onzichtbare marges op een renteswap kan toepassen;
5) dat de renteswap een negatieve waarde kan krijgen die moet worden betaald, als de swap tussentijds wordt beëindigd.
Volgens het Hof waren de renteswaps in deze zaak niet geschikt om een rekening-courantkrediet af te dekken. Die visie hebben banken sedert 2010 overigens ook zelf.
Tot slot heeft het Hof in deze zaak geoordeeld, dat zelfs als het initiatief voor het sluiten van de renteswaps van de klant zou zijn uitgegaan dat geen reden is om eigen schuld aan te nemen omdat dit in deze omstandigheden niet afdoet aan de zorgplicht van Rabobank.
De banken proberen momenteel hun gedupeerde klanten rustig te houden door regelmatig brieven rond te sturen met de boodschap, dat de banken “hard werken aan een voorstel volgens het Herstelkader”.
Dat Herstelkader is echter niet van toepassing op vastgoedbedrijven en grote bedrijven die door de bank als niet-professionele klant zijn geclassificeerd, zodat die bedrijven via het Herstelkader geen vergoeding zullen krijgen. Op grond van de uitspraak van het Gerechtshof kunnen dergelijke bedrijven die door de bank als niet-professioneel zijn geclassificeerd echter wél aanspraak maken op schadevergoeding. Daarnaast kunnen bedrijven op wie het Herstelkader van toepassing is in sommige gevallen een hogere schadevergoeding afdwingen dan zij op grond van het Herstelkader zouden ontvangen.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:255&showbutton=true